Kinderalimentatie eenvoudiger berekend?
Veel mensen begrijpen niet hoe de hoogte van de kinderalimentatie wordt berekend en vastgesteld. Hierdoor zou de betalingsbereidheid van de ‘betalende partij’ laag zijn. En zoals gebruikelijk reageert de politiek met een nieuw voorstel; het oude deugt niet, dan maar een nieuwe methode.
PVDA en VVD hebben een voorstel voor de vereenvoudiging van de kinderalimentatie gelanceerd.
De eerste reacties uit de Tweede Kamer waren positief. Het voorstel gaat uit van een drietal maatstaven: de behoefte van het kind; de draagkracht van de ouders en het aantal dagen dat een kind bij de ene dan wel de andere ouder verblijft. Ook zijn er andere uitgangspunten voor de berekening voorgesteld.
Zo zal het netto gezinsinkomen van beide ouders bepalend zijn voor de vaststelling van de financiële behoefte van een kind. Aan de hand van het aantal kinderen en het netto gezinsinkomen, wordt het bedrag aan de behoefte in de tabel gevonden.
De draagkracht van de ouders wordt vastgesteld aan de hand van het netto-inkomen van elk van de ouders. De verhouding tussen beide inkomens is bepalend voor de verdeling van de behoefte over beide ouders. Is de draagkracht lager dan de behoefte dan wordt de lagere draagkracht als uitgangspunt genomen. Is de draagkracht echter hoger dan de behoefte dan wordt de behoefte als uitgangspunt voor de berekening genomen.
Vervolgens worden de kindgebonden kosten vastgesteld. Deze bestaan uit de kosten van de kinderen als kleding, school en studie, sport, clubs, zakgeld, niet-verzekerde medische kosten enz. De kindgebonden kosten worden per kind bepaald aan de hand van de leeftijd en het netto-inkomen van beide ouders van tijdens het huwelijk middels een tabel.
Dan wordt het verblijfspercentage vastgesteld. Dit wordt gebaseerd op het aantal nachten dat een kind bij de ouders verblijft. Ook hiervoor zal een tabel worden gehanteerd.
Tenslotte wordt de hoogte van de alimentatie vastgesteld. De behoefte wordt over beide ouders verdeeld aan de hand van de verhouding van de draagkracht. De kindgebonden kosten komen ten laste van de ouder waar het kind woont. Tenslotte wordt het restant van de behoefte verdeeld over beide ouders aan de hand van het verblijfspercentage. Het tekort van de ene ouder, wordt aangevuld door de andere ouder.
Zeker is dat het voorstel van de PVDA en VVD –hoewel het vernieuwende elementen heeft- niet de oplossing zal zijn voor een beter begrip en acceptatie van het betalen van kinderalimentatie. Daarvoor zijn nog te veel punten waar een conflict kan ontstaan. Hoe wordt bijvoorbeeld het netto gezinsinkomen vastgesteld. Nu vaak een bron van discussie, wat ik nog niet zo gauw zie veranderen. Ook de mate van het verblijf is dermate gevoelig dat dat nu al een bron van verregaande discussie en conflicten is. Als de hoogte van de alimentatie gekoppeld gaat worden aan de mate van verblijf zal dat voor meer discussie zorgen over de omgangsregeling. En meer discussie of conflicten tussen ex-partners zal leiden tot meer rechtszaken, vrees ik.
Door een goede duidelijke uitleg te geven aan cliënten hoe de berekening tot stand is gekomen, blijkt dat de ‘betalende partij’ het alimentatiebedrag niet graag betaalt, maar wel meer bereid is het bedrag te voldoen. Als cliënten ook nog gewezen worden op de mogelijkheden van incasso, als er niet, niet helemaal of niet op tijd betaald wordt stijgt de bereidheid om te betalen. Een heldere uitleg en voorlichting aan cliënten door de alimentatierekenaars tijdens een gesprek over de kinderalimentatie geeft al een beter betalingsresultaat.
Overigens zijn verschillende punten van de rekenwijze zoals deze in het voorstel wordt aanbevolen al dagelijkse praktijk bij BMS – Advies. Wij houden al tijden rekening met de mate van verblijf van de kinderen en stellen o.a. samen met onze cliënten de kindgebonden kosten vast.