Grenzeloze kinderen
Willem rijdt af en toe in de auto van zijn moeder. Eigenlijk vindt zijn moeder dat niet goed, maar het is ook wel een beetje stoer. Willem is zo handig en kan al goed inparkeren. En hij beperkt zich tot af en toe een rondje in de buurt. Want hij is 16 jaar en heeft natuurlijk nog geen rijbewijs. Dat deert hem niet. Ook als zijn moeder naar haar werk is, pakt Willem af en toe de sleutel en gaat een stukje rijden. ‘Nee, niet ver en natuurlijk doe ik voorzichtig.’ De filmpjes op zijn computer vertellen een ander verhaal; lekker hard door de bochten en vooral laat remmen. Daar schrikken andere weggebruikers zo leuk van. Dat sommige mensen boos reageren vindt hij maar stom; hij doet toch niets bijzonders?!
Soms pakt hij de brommer van z’n broer. Dan moet Willem een brief posten, wel zo’n 500 meter lopen. Zonder helm, want die is lastig en het is toch maar een klein stukje. Soms zegt moeder er iets van, dat het niet mag of zo. Willem trekt zich er niets van aan, laat maar kletsen. Als zijn moeder een keer de autosleutel verstopt, is Willem boos en dat laat hij weten ook. Hoe haalt zijn moeder het in haar hoofd? Tijdens een gesprek met een politieagent hoort Willem dat –als hij een keer een ongeluk maakt- hij niet verzekerd is en voor alle kosten moet opdraaien. Of anders zijn moeder. En die kosten kunnen als snel oplopen. “Ouwemannenpraat, dat geklets over ongelukken.’
Ouders hebben het er maar moeilijk mee; grenzen stellen of juist loslaten. Tot aan de puberteit is het duidelijk; de ouder is de baas en vertelt het kind wat er van hem of haar verwacht wordt. Het kind zal zich in eerste instantie in deze rolverdeling schikken. Het is immers in hoge mate afhankelijk van die ouder. Bij pubers wordt het opeens heel anders; zij leren door ervaring, soms door ‘met hun hoofd tegen een muur te lopen’. Door te experimenteren leert een puber de wereld kennen en ervaringen op te doen. Hierdoor leert hij zijn mogelijkheden kennen en risico’s beter in te schatten. En dat terwijl pubers nog niet zo goed in staat zijn om complexe beslissingen te nemen, risico’s te overzien en in te schatten en de gevolgen van hun beslissingen te begrijpen. Sommige ouders zien met bonkend hart hun pubers dingen doen waarvan ze denken; ‘als dat maar goed gaat’.
De rol van opvoeder is niet makkelijk. En het is een grote verandering voor de ouder, van opvoeden naar begeleiden en steunen, hun puber de kans geven om te experimenteren, ervaringen op te doen. Maar wel vanuit geborgenheid. De puber moet het gevoel hebben dat, als het een keer mis gaat, zijn ouders er voor hem zijn. Natuurlijk is het niet zo dat pubers gewoon hun gang kunnen gaan. Het is wel degelijk belangrijk om naast geborgenheid ook duidelijke grenzen te stellen. Het gaat dan om een lastige afweging tussen het stellen van grenzen en het geven van die vrijheid die nodig is om ervaringen op te doen.
Hoe ga je als ouder om met een puberend kind? Door het geven van emotionele steun ervaart je puber geborgenheid. Door sturing geef je de weg aan, niet ‘zo-moet-je-het-doen’, maar benoem de mogelijkheden. Complimenten werken vaak motiverend. Je puber weet dat het op de goede weg is en zal hierdoor (zelf-) vertrouwen ontwikkelen. Deze ontwiikeling stopt niet bij het 20e jaar, dus hebben jongeren hebben tot na hun 20e jaar steun, sturing en complimenten nodig.
BMS - Advies coacht gezinnen kortdurend en oplossingsgericht